Stel, u heeft asiel aangevraagd in Mongolië. U verblijft in een asielzoekerscentrum en krijgt daar post van uw advocaat. De brief is in het Mongools gesteld en daarom gaat u naar VluchtelingenWerk. U heeft van andere Nederlanders gehoord dat de mensen daar luisteren en uitleg geven. U gaat bij de balie staan en geeft uw brief. De medewerker vraagt u iets in het Mongools. Dat begrijpt u niet. Met een hoopvolle blik spreekt de medewerker u vervolgens aan in het Chinees, die wereldtaal moet u toch wel begrijpen. Mis. Gelukkig doet VluchtelingenWerk Mongolië ook aan diversiteit, er werkt een voormalig vluchteling uit Europa. Deze medewerker loopt enthousiast op u af: ‘Tsjechisch? Russisch? Nee?’ De moed zinkt u een beetje in de schoenen. ‘Tolk’, roept u, ‘Nederlands!’ De tolk wordt gebeld, maar er zijn zoveel Nederlandse asielzoekers en zo weinig tolken beschikbaar dat u geen geluk heeft. ‘Komt u morgen maar terug, dan proberen we het nog eens. Of volgende week. Of weet u wat, neem een landgenoot mee die wel een beetje Mongools spreekt. Dan vertellen wij via hem of haar wel hoe uw procedure ervoor staat. En vertelt u ons alstublieft ook alles wat relevant kan zijn voor uw asielverhaal.’ Raar voorbeeld? Toch is dit de dagelijkse praktijk. Terwijl goede communicatie essentieel is voor de asielzoeker en voor ons. Een gesprekje in de spreekkamer:
Snapt u het nog? |
|||
| Laatst aangepast ( vrijdag, 27 januari 2012 ) | |||
